“Onder preekstoelen en orgelbanken…”

 

door

 

Marinus Fr. van Binnendijk

 

1. Gemeentezang en orgel in het verleden
2. In de spiegel op de orgelgalerei  
3. Indien er twee samenstemmen op de aarde...  
 

 

Klavier volgens methode Schnitger

(Particulier bezit, Groningen)

 

 

 

1. Gemeentezang en orgel in het verleden. (Terug)

In een serie, waarin alle aspecten van de eredienst aan de orde komen, neemt ook het zingen van de gemeente een niet te onderschatten plaats in. Door onze (kerkelijke) cultuur bepaald kunnen wij de gemeentezang niet losdenken van het kerkorgel. Mij is gevraagd om - in een drietal artikelen - aan dit laatste enkele gedachten te wijden. Als eerste wil ik met een historische schets weergeven, hoe moeizaam het proces verliep, voordat het orgel zijn huidige plaats in kerk en eredienst heeft kunnen innemen. In een tweede artikel nemen wij plaats op de orgelbank en letten op de taak en functie van de organist in de eredienst. Ten laatste verdiepen we ons in de relatie tussen predikant en organist. Het gebruik van het kerkorgel bij muzikale evenementen in het algemeen - zoals bijvoorbeeld orgelconcerten, zang- en muziekuitvoeringen - laat ik achterwege.

 

Niet vanzelfsprekend

Dat er in bijna ieder kerkgebouw een orgel staat, vinden wij doorgaans heel gewoon. Maar dat dit nauwelijks vierhonderd jaar geleden ondenkbaar was, zullen weinigen weten. De vraag of een orgel in de kerk mocht zijn, en of dit instrument mocht dienen ter ondersteuning van de gemeentezang is binnen onze traditie in alle ernst aan de orde geweest.

Enerzijds was het orgel van puur heidense afkomst, omdat het aanvankelijk werd gebruikt in theaters en keizerlijke paleizen. Het eerste had te maken met het feit, dat het orgel een puur wereldse, zelfs heidense achtergrond heeft. Ten tweede nam het orgel aanvankelijk een zeer bescheiden plaats in binnen de Rooms-katholieke eredienst. Men kende nog geen gemeentezang, en gebruikte het orgel alleen om de juiste toon aan te geven (intoneren), waarop het koor á capella zong.

 

Twee keer is er in ons land een felle strijd gevoerd tussen enerzijds de ‘Gereformeerde’ kerkenraden (verantwoordelijk voor de eredienst) en anderzijds de magistraat (het stadsbestuur). Laatstgenoemde was niet alleen eigenaar van de orgels, maar tevens broodheer en betaalmeester van alle ‘stadsorgelisten ende pypers’. [1]

 

De eerste orgelstrijd (1574 - 1640)

In het jaar 1574 sprak de provinciale synode van Dordrecht zich voor het eerst - en in ongunstige zin - uit over orgelspel zowel ín als ná de eredienst. Men vreesde - en hierin herkennen wij de reformator Calvijn - dat het orgel bij het uitgaan der kerk dienen zal “om te doen vergheten, wat men tevoren ghehoort heeft.”

In dezelfde trant sprak de synode van Edam zich uit, en bond alle predikanten op het hart, om de overheden te bewegen het gebruik van het orgel stop te zetten, “ten eynde dat, het orghelspelen in die kercken naegelaeten synde, die dienst des Woirts Goids beter syn effect in die herten der menschen vercryge ende bewairt worde”.

 

Vier jaar later ging de Synode van Dordrecht nog een stap verder en besloot, “dat de orghelen, ghelijck se voor een tijd geduldet waren, alsoo met den eersten ende op ‘t aldergevoegelyckste [zo snel als mogelijk] moesten weggenomen worden”.

 

Wij kunnen ons wellicht nauwelijks voorstellen, wat een onrust deze zaak in de gemeenten teweeg heeft gebracht. Het orgel gold voor velen “als een paradijsslang, een verleidelijk beest, een duvelsche fluutkaste, een helletrekker of een afhangsel van het pausdom”. Jacobus Hondius (1529-1591) plaatste het orgel zelfs op zijn Swart Register van duysent Sonden, terwijl Petrus Bloccius, rector in Leiden, het instrument opneemt in zijn boek Meer dan tweehondert ketteryen, blasphemien ende nieuwe leeringen: welck wt de misse sijn ghecomen (1567).

 

Intussen was het de kerkeraad van Dordrecht in 1598 gelukt, een verband te leggen tussen eredienst en kunst, door organisten opdracht te geven, meteen na de prediking een bepaalde psalm vijf of zes keer na elkaar te spelen. Wanneer zij iets anders wilden spelen, mochten zij dat doen, mits dat zij grave [gedragen], stichtelijke stuxkens speelden, maar motetten en lichtvaardige liedekens achterwege lieten.

 

Tegen 1638 werd de roep steeds luider om het orgel te gebruiken om de gemeentezang te begeleiden. Aanleiding was vooral het abominabele zingen in de dienst. De kerkeraad van Leiden gaf hiertoe de voorzet. Het orgel uit de Hooglandse kerk documenteert dit met het opschrift uit 1637 op de orgelkas en daarbij de spreuk “Looft den Heere met gezang en orgel”.

 

De tweede orgelstrijd (1640 - 1750)

Andere steden volgden al spoedig het voorbeeld van Leiden - al ging dat niet zonder slag of stoot, waarmee de tijd rijp was voor de ‘tweede orgelstrijd’. Toen in 1641 Constantijn Huygens zijn 144 bladzijden tellende pamflet uitgaf met de veelzeggende titel Gebruyck of ongebruyck van ‘t orgel in de kercken der Vereenighde Nederlanden, was ook in de muziek een grote omkeer gekomen.

 

Werd voorheen de leidende melodie (de cantus firmus of ‘ferme stem’) gezongen of gespeeld in de middenstem (te vergelijken met de melodie in de linkerhand), zo verschoof deze naar de bovenstem van de sopraan (de melodie ‘met de rechterhand’). Hierdoor kreeg het orgelspel het vermogen om door een duidelijk in de hoogte gelegde melodie - onderbouwd met overeenstemmende akkoorden - steun te geven aan de gemeentezang. Het orgel was nu in staat ‘in klare akkoorden en met een duidelijk uitkomende bovenstem’ de gemeente den toon als in den mond kon leggen. Echter waren niet alle orgels hierop voorbereid.

 

De toenmalige orgeltjes (de zogenaamde zwaluwnestjes, die aan één of andere pilaar met 200 pont ysers aen anckers’ waren opgehangen) hadden nog niet “de sterke longen en tongen”, die ze later kregen. Daarom was het een vereiste, dat de instrumenten wegens hun kortademige windvoorziening met discretie en voozigtigheyd en niet met swaare geluiden en volle grepen behandeld moesten worden.

 

Ligt hierin overigens niet een stille wenk naar al te grijpgrage registerhanden, die op onze veel draagkrachtiger orgels de gemeentezang vandaag de dag soms danig overstemmen? Waar Huygens pleitte voor ‘Laat zich ‘t orgel óveral, willen sommige orgelvrienden zich nog wel eens vinden in ‘Laat zich ‘t orgel bóvenal…”

Mocht een orgel-minnende lezer(es) zich in dit laatste herkennen, dan lijkt het mij goed, om het navolgende advies van Huygens eens te overwegen: “Het instrument dient te worden getempert in soodanighen Register, als naer het meer oft minder getal der Menschen betamelick sal werden bevonden.”

Niet het vele is goed - maar het goede is veel.

 

Zo dient tot het einde van de psalm te worden gespeeld, met een’ eenparighe, middelmatighe, dat is, een onverhaeste [niet jagen!] ende onvertraeghde [niet trekken!] maet.

Op deze manier verwachtte Huygens, dat er een gestadigh, staetigh, maetigh, eenstemmigh, aengenaem gesangh onder de grootste Gemeenten gehoort sal werden, zodat noch de Stemmen ondereen, noch het Orgel met de Stemmen in Toon, oft Mate, oft Macht met elkaar in strijd zullen komen.

 

Dat Huygens een vurig pleitvoerder is voor een goede orgelbegeleiding, blijkt uit een puntige beschrijving van het zingen in zijn dagen:

 

De Toonen luyden dwars onder een, als gevogelte van verscheiden becken.

De maten strijden, als Putemmers, d’een dalende soo veel d’ander rijst.

Daer wert on ‘t seerste uytgekreten, als of ‘t een sake van overstemminge waerer.

 

[Vrij vertaald: de stemmen wijken zodanig af, zoals vogels van diverse pluimage door elkaar heen schreeuwen. De maten zijn n strijd met elkaar, zoals emmers in een waterput op en neer gaan. Er wordt zo hard geschreeuwd, alsof men elkaar eerder wil overschreeuwen, dan met elkaar samenstemmen].

 

Dat het psalmgezang veel weg heeft van ghehuyl ende geschreeuw heeft in zekere zin ook te maken met de verschillende moeilijke en onbekende psalmmelodieën. Opmerkelijk genoeg grijpt Huygens dan terug op de klassieke manier van intoneren (het aangeven van de toon). Hij stelt voor, dat er door het orgel eerst een’ noot gheroert wordt, omdat er door de gemeente vaak zo leelik mis-getast wordt.

 

Huygens’ traktaat heeft er helaas niet in mogen resulteren, dat de gemeentezang in zijn tijd verbeterde. Gedreven door een sterk gevoel van conservatisme, accepteerde het kerkvolk geen verandering in haar zangwijze. Wellicht heeft dit ook te maken gehad, dat men al decennia lang zong uit de psalmen van Datheen. Pas met de ‘nieuwe’ psalmberijming van 1773 (die naar tekst en muziek metrisch veel beter op elkaar zijn afgestemd dan die van Datheen) werd het kerkelijk orgelgebruik voor het eerst algemeen.

 

Onder Davids harp

Wat hebben wij met het kerkorgel gemeen, dat de koning onder de instrumenten ons zo geweldig aanspreekt? Wellicht moeten wij het antwoord zoeken vinden bij Jacobus Revius, toen hij het navolgende puntdicht schreef:

 

 

Het orgel is een beelt van ‘t leven hier beneden

Veel pijpen staender in verdeelt in haar geleden

Een ieder heeft syn plaats, een ieder syn geschrei.

 

Wanneer het de houding is van iedere organist, iedere cantor, ieder zingend gemeentelid, ja: van elke koorzanger, voorzanger en voorganger Gode te gaan psalmzingen onder de luyt [met de harp], dan stemmen wij in met de woorden van wellicht de grootste componist aller tijden, Johann Sebastian Bach, die dit in praktijk mocht brengen: “Alleen dán zullen wij kunnen komen tot een beoefening van kerkmuziek, de kerk der Reformatie waardig.”

 

Of dit altijd zo zal blijven, zal de wens zijn van ieder orgelminnend geslacht, dat er weet van heeft, dat dit instrument slechts ten volle tot zijn recht komt, wanneer het dienstbaar is tot meerdere eer en verheerlijking van Hem tot Wiens eer wij mogen en kunnen zingen en spelen. Op menig orgel prijkt de afbeelding van David met een luit in de hand. Hij mag ons blijvend herinneren aan de woorden van Psalm 71:

 

Dy onder mijn’ Luyte, ô heilige Israëls [2]

 

 

Zicht op de kansel vanaf het hoofdorgel 

in de Nieuwe Kerk te Delft

  

 

2. In de spiegel op de orgelgalerij. (Terug)

 

In dit tweede artikel gaan we in op plaats en functie van de organist binnen de eredienst van hervormd-gereformeerd karakter. Ik beperk mij dan tot de dienst, waarin uitsluitend psalmen worden gezongen onder begeleiding van het kerkorgel. Daarmee is niet ontkend, dat een enkele handreiking voldoende stof biedt tot overdenken in gemeenten met een ruimere (of engere) liturgische opvatting.

 

Biografisch

Van huis uit ben ik nauw betrokken geraakt bij kerkmuziek. Met name in de vacaturetijd, dat de organist met de hoorcommissie uit horen ging - een periode, die minstens anderhalf jaar duurde - had ik met negen, tien jaar mijn eerste ervaringen in het begeleiden van de gemeentezang. Dat was in de Grote of Catharijne Kerk te Heusden.

Daarnaast was er de (technische) scholing op de plaatselijke muziekschool, van AMV (algemene muzikale vorming) via pianoles naar kerkorgel. Inhoudelijk was de meest invloedrijke scholing (en ‘erfelijke belasting’) die van mijn vader - zelf van jongs af aan leerling van Adriaan C. Schuurman in diens Amersfoortse tijd, samen met zijn vriend, de later bekende Delftse organist Jan Julius van den Berg.

Amper 15 jaar nam ik de benoeming aan tot organist van de Hervormde Gemeente te Besoyen-Waalwijk. Daar ‘gebeurde’ het in een leerschool van ruim elf jaar, waarin de techniek van de muziekschool, de stijl van harmoniseren van huis uit, de stijl van improviseren, die je je hebt eigen gemaakt, werden gebundeld, getoetst, verdiept en niet het minst gelouterd. Daar kregen techniek en gaven de ruimte om zich te gaan binden aan en zich te laten sturen door de prediking van het Woord.

 

Scholing en roeping

Het laat zich raden, dat de orgels in de grotere kerken meestal uitsluitend bespeeld (mogen) worden door organisten, die minstens aan een conservatorium zijn afgestudeerd. De meeste dorpskerken moeten het meestentijds doen met ‘talenten’ uit de eigen gemeente. Het heeft beiden zo zijn voor- en nadelen. Al besef ik, dat het aantrekken van een vakorganist (c.q. cantor-organist) ook financiële gevolgen met zich meebrengt.

 

In bijna iedere gemeente is wel iemand, die ‘een toets kan indrukken’ en niet onaardig speelt. Iemand ‘die nog les gehad heeft op het harmonium van Kees de slager uit de Voorstraat, en die heeft het weer van zijn moeder’. Niet elke gemeente - met name in de kleinere dorpen - is gezegend met een keur aan organisten. Men is al lang blij, áls er al iemand gelegen en genegen is, om - met de woorden van Constantijn Huygens - ‘enig vast geluyd’ ten gehore te brengen, opdat de Psalm ‘ten eynde toe uitgesongen kan werden’. In het land der blinden is Eénoog immers koning.

 

U zult begrijpen, dat niet iedereen, ‘die wel een toets kan indrukken’ of ‘gevoelig kan spelen’ ook daadwerkelijk geschikt is voor de taak van kerkorganist in het algemeen, of voor het begeleiden van de gemeentezang in het bijzonder.

 

Ofschoon in hervormd-gereformeerde kring de Woordbediening (niet ten onrechte) centraal staat, mag daarom het geheel van de eredienst - inclusief de stijl en opbouw van de liturgie, en ten aanzien van ons onderwerp: het orgelspel - niet beschouwd worden als bijzaak. We spreken immers van ‘eredienst’ - waarin álle elementen (prediking, gebeden, offerande, Wet en Geloofsbelijdenis, gemeentezang, enz.) dienstbaar hebben te zijn aan en medewerken tot de eer van God, Die op de lofzangen Israëls troont.

 

Gelukkig zijn er steeds meer gemeenten, waar het besef is doorgedrongen, dat het orgelspel een niet te onderschatten invloed heeft op de beleving van de gemeente zelf. Hoe het ook zij: het orgel te bespelen in de eredienst mag naar mijn besef niet onderdoen voor wat de Schrift zegt van de zangers en speellieden in de tempel, die geroepen, begiftigd én bekwaam gemaakt zijn. Vaardige scholing kan niet zonder roeping - en roeping kan evenmin zonder geschoolde vaardigheden.

 

Vast of last?

Over het algemeen is een organist aan een gemeente verbonden. Soms is een gemeente aan een organist (en zijn spel!) bonden. Het is niet altijd eenvoudig, om als kerkenraad een (vaak oudere) organist, die als sinds jaar en dag zijn plaats op de orgelbank inneemt - te laten plaatsmaken voor een jongere, meer getalenteerde. Dat kan pijnlijke situaties opleveren, zeker wanneer er ‘liefhebbers’ zijn van de één, en ‘voorstanders’ van de ander. Vanwege de gevoeligheid, aanvaardt men dikwijls een bestaande situatie gelaten. Het verdient aanbeveling, om vanuit de kerkenraad met enige regelmaat konstruktief overleg te voeren met de organist(en). Wellicht ga ik hierin te ver, maar zou het de overweging waard zijn, om bij de benoeming van een organist ook een bepaalde termijn af te spreken?

 

‘Horen’

Een gemeente doet er dan ook goed aan, om ook de liturgische gewoonte van de plaatselijke gemeente, en de taak en functie van de organist daarin een duidelijke plaats te geven in haar beleidsplan. Ik wil een lans breken voor de gedachte, dat een kerkenraad het benoemen van een organist even serieus heeft te nemen als het beroepen van een predikant. En dat zij - in haar afweging ten aanzien van een eventuele benoeming - vooral let op de gaven die iemand heeft (of niet heeft) om de gemeentezang goed en stichtelijk te begeleiden.

 

Het hoeft niet persé iemand te zijn met minstens een opleiding van het conservatorium (niet elke vakorganist is ook een goed begeleider). Een kerkenraad, die verantwoording draagt voor het geheel (!) van de eredienst, zal ook voldoende aandacht moeten besteden aan een zekere scholing van haar organist(en). Mocht een kerkenraad zelf geen al te grote muzikale bagage hebben, dan zou zij kunnen overwegen vanuit de gemeente een muziekcommissie in het leven te roepen, in wie meer muzikaal begaafde gemeenteleden zitting hebben, en die de kerkenraad bij tijden van advies dient. In ieder geval adviseer ik in dezen elke kerkeraad (of kerkvoogdij) tot het volgen van een goede procedure. Overigens hoeft een ‘goede’ organist niet altijd ‘van verre’ te worden gezocht.

 

Persoonlijke betrokkenheid

Naar mijn overtuiging is het niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk, dat een organist persoonlijk en geestelijk betrokken is op het geheel van de eredienst. Dat hij gevoel heeft voor de stijl, vorm en structuur van de dienst, zoals gebruikelijk in de gemeente waar hij organist is. Een organist behoort op zijn minst een zeker invoelingsvermogen te hebben voor de prediking en het geestelijk leven van de gemeente, en waar mogelijk de vertolking van het Woord vanaf de kansel passend en beamend te doen vergezellen met zijn orgelspel. Elke organist zal zich ervoor hebben te wachten, met zijn orgelspel de gemeente van het Woord Gods af te leiden - door een manier en/of invulling van spelen, die niet stichtelijk is.

Dat betekent overigens niet, dat de muziek ondergewaardeerd moet worden, juist daar waar zij de harten en zielen mag opheffen naar grotere hoogten, waardoor het gepredikte Woord te meer ingang vindt in de harten. Wat voor een predikant geldt, is in zekere zin ook van toepassing op de organist: “Verzuim de gave niet, die in u is…” (I Timotheüs 4 : 14).

 

Luisterend inspelen

Een organist heeft een dienende taak binnen de eredienst. Het is een gevleugeld woord, dat een organist een dienst kan maken of breken. Een preek, die het hart raakt, kan soms schade leiden door onattent, slordig orgelspel, dat haaks staat op of ongevoelig is voor het gesproken Woord. Ook het omgekeerde gebeurt, dat een invoelend organist soms een ‘extra’ amen op de prediking kan meegeven.

Dat vraagt goede oren - die inhoudelijk luisteren naar de prediking, en daarop weten in te spelen.

Naast inhoudelijk luisteren naar de prediking, is er ook een technisch luisteren naar het zingen van de gemeente. Wat is haar tempo? Welke toonhoogte is haalbaar?! Hoe reageert een gemeente zelf op de prediking? Hoe reageert een gemeente op de organist!? Zonder op deze vragen al te uitvoerig in te kunnen gaan, hierbij een enkele handreiking.

 

Tempo

Een organist behoort niet te jagen, noch te trekken. Hij dient zich dusdanig aan te passen, dat zijn spel een fractie (dus niet twee maten!) voor de gemeente uitkomt.

Een gemeente moet ook niet het gevoel krijgen, dat zij de organist moet ondersteunen, doordat hij onzeker en onvast speelt, en áchter de gemeente aankomt.

Houd rekening - met name in de grotere kerken met hun grote akoestiek - dat het geluid van de zingende gemeente ‘later’ bij het orgel terugkomt. Het meest extreme voorbeeld is wel de Goudse Sint Jan - die in lengte alle Hollandse kerken overtreft.

De koster van de Utrechtse Jacobikerk geeft elke (gast)organist het wijze advies: “Luister niet naar de gemeente, want daardoor ga je steeds langzamer spelen. Houd vast aan je eigen tempo.” De organist kan in zo’n geval zijn oor eens te luister leggen bij een invoelend (muzikaal) gemeentelid die beneden in de kerk zit, en (achteraf) objektief kan oordelen.

 

Ritmiek

Hoe ligt het met de ritmiek? Dit aspekt geldt voornamelijk die gemeenten, waar ritmisch (op-hele-en-halve-noten) wordt gezongen. Zeker bij passages, die ritmisch moeilijker liggen, zal het orgel duidelijk de leiding moeten nemen. Denk bijvoorbeeld aan een lastige frase als in Psalm 149: Dat Is- rá-el met blijde klank, zijn mil-dé Schepper loov’ en dank’. Of in Psalm 48: ‘En bij dé volkén zeer vér-maard”. Het metrum van deze zeldzame verzen is duidelijk in strijd met het metrum van de muziek. Een extra ondersteunende accentuering van het orgel (oktaafspel) is bij dit soort ‘lastige’ plaatsen te verkiezen.

 

Voorspel

Ook voor-, tussen- en naspelen maken een wezenlijk onderdeel uit van de dienst. Het voorspel is bedoeld om toonhoogte en tempo en stijl van het te zingen lied aan te duiden. Daarbij gaat het niet om de lengte, maar om de diepte. Het is aannemelijk, dat het eerste en laatste lied ruimte bieden aan een wat langer, vrolijk voorspel.

Na de prediking misstaat een (kort) meditatief moment niet, door middel van een (wat langer) voorspel. Een enkele organist wil nog wel eens een bepaald koraal spelen.

Vergeet ook hierbij niet, dat élk te zingen vers bedoeld is als het ‘amen’ van de gemeente op wat voorafging. Dat geldt nog het meest bij de Wet en de Geloofsbelijdenis. Hier is een kort voorspel van twee, drie akkoorden voldoende. Een enkele organist waagt het zelfs zónder voorspel, en zet meteen in. Dit heeft niet zelden tot gevolg, dat het merendeel van de gemeente pas halverwege de eerste regel inzet.

 

Toonhoogte

Omdat de meeste gemeenteleden in hervormd-gereformeerde kring geen geschoolde zangers zijn - zoals in de tijd van de Reformatie, of vandaag de dag in de Anglicaanse kerk - zouden organisten zich aan de vuistregel moeten houden, om de gemeente niet hoger te laten zingen dan ‘es’. De meeste gemeenteleden kunnen die toon nauwelijks meer zuiver treffen, vanwege hun beperkte stembereik.

Wanneer in een dienst psalmen worden gezongen, die veel in de bovenste tonen blijven (Psalm 103, 113, 122), is het aan te bevelen, zulke verzen een halve of hele noot lager te spelen.

Gebeden horen eerder in de ootmoedige lagere toonsoorten, dan in de uitbundig hogere. Een melodie als van Psalm 51 (normaliter in E kleine terts) komt ook voor in G klein. Gezien het ingetogen karakter van deze Psalm laat het zich raden, niet ‘te hoog’ te grijpen. Houdt het bij E.

Knap lastig is overigens de hoge ‘E’ van ‘Laat de keel zich paren’ uit Psalm 33 - wat niet zelden leidt tot een schrapen van de keel. Dit soort melodieën kan dan ook beter naar een lagere toon worden overgezet (zgn. transponeren).

 

Hetzelfde geldt overigens ook voor het moduleren, waarbij de organist na een bepaald vers(deel) van de ene toonhoogte overgaat naar een andere (meestal hogere). Denk aan bijvoorbeeld Psalm 68, Psalm 72 (het laatste, hálve vers in G klein), Psalm 98 en andere.

Zekere, wanneer er twee of drie verzen achter elkaar worden gezongen, kan dit ‘verfrissend’ werken. Het spreekt voor zich, dat de nieuw gekozen toonhoogte door een (niet al te lang) tussenspel duidelijk wordt aangegeven. Wees ook hierbij alert op de haalbare hoogte, en laat het moduleren niet modieus, maar funktioneel zijn.

Ofschoon veel gemeenten aan hun orgel gewend zijn, lijkt het mij haast overbodig om er nog aan toe te voegen, dat orgels die een halve of soms hele toon hoger staan (a klink als bes of b), hier met het oog op alle psalmen rekening wordt gehouden.

 

Grondtoon en toonsoort

Elke Psalm (en elk muziekstuk) staat in een bepaalde toonsoort. In sommige psalmboekjes staan boven het eerste vers nog woorden als mixolydisch, aeolisch, phrygisch e.d. Dat zijn dure woorden, die staan voor het betreffende toongeslacht (de modus), waartoe de melodie van een bepaalde Psalm  behoort. Deze modi hebben altijd een grote of kleine terts, zoals dat ook het geval is in ons vertrouwde majeur-/mineursysteem. Het zijn andere tonen van de toonladder, die een onverwachte afwijking kunnen hebben ten opzichte van wat wij tegenwoordig gewend zijn. Maar net als in melodieën in majeur- of mineurtoonsoorten, kunnen ook in de modale psalmmelodieën bepaalde toevallige verhogingen of verlagingen voorkomen.

Wat voor het harmoniseren van een bepaalde melodie - in ons geval die van de Psalmen - van groot belang is, is met name het besef van de grondtoon. Deze wordt aangegeven door de laatste noot van de Psalm - ‘daar waar de melodie thuiskomt’. Deze grondtoon, alsmede de modus van de melodie, zijn bepalend voor de keuze van de te gebruiken akkoorden ter begeleiding van een gegeven melodie. Zij behoren ‘in harmonie’ te zijn met de ‘ferme bovenstem’, de cantus firmus.

 

De organist maakt de gemeente - aan de hand van zijn het voorspel - duidelijk, om welke toonsoort het bij de betreffende Psalm gaat. Ook zonder muzikale scholing voelt een gemeente dat aan, en kan na het voorspel feilloos inzetten. De meeste melodieën beginnen, zoals ze ook eindigen, met dezelfde noot. Maar er zijn uitzonderingen, waarbij niet zelden ‘lelijk misgetast’ wordt.

 

Een melodie zoals van Psalm 17 laat dit  - als voorbeeld - duidelijk zien. De eerste noot is een G, terwijl de grondtoon Fis is. [3] Menig organist wil zijn voor- of naspel bij dezer Psalm nog wel eens eindigen met een akkoord in D groot - omdat het lijkt alsof deze Psalm in D groot geschreven staat. Maar dit is niet correct. Het slotakkoord zou een Fis-akkoord moeten zijn, omdat de grondtoon van deze psalmmelodie ‘Fis’ is.

Ook een melodie zoals bij Psalm 45 (‘Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen…’) of Psalm 48 (‘Want deze God is onze God…’) begint niet met een D uit de grondtoon D, maar met een (verminderde) terts daarvan - een F. En zo zijn er meer voorbeelden te noemen.

 

Het mag duidelijk zijn, dat kennis van de toonsoorten en besef van de grondtoon van een Psalmmelodie minimaal tot de basiskennis (en modaliteit) van elke organist behoort.

 

Stijl en karakter.

Iedere organist heeft zijn eigen stijl. De één is ingetogen, waar een ander uitbundig kan zijn. Daar zal een gemeente aan moeten wennen. Maar karakter en stijl van elke organist dient te allen tijde ondergeschikt te blijven aan karakter en stijl van de eredienst en de daarin te zingen Psalmen. Er zijn gebeden (Psalm 123 : 1), die zich - in stille ootmoed - laten begeleiden met een zacht plenum in acht- en viervoeten. Bij orgels met slechts één klavier kan de leidende stem (cantus firmus) in een octaaf gespeeld worden. Er zijn boetpsalmen, die men heel goed met een uitkomende stem (Sexquialter, Vox Humana, Trompet) kan begeleiden. De begeleiding kan iets van pijn en smart vertolken door het gebruik van ‘sombere’ toonsoorten. (Denk aan het bekende voorspel op Psalm 103 van Jan Zwart).

 

Tegenover de stille ootmoed van gebed en schuldbelijdenis, is er de hartelijke lofzang. Dan mag het orgel - mét de gemeente - juichen tot Gods eer. Al geldt ook hierbij, dat niet de melodie, maar de tekst het karakter van spelen bepaalt. Een bekende valkuil is het slotvers van Psalm 138, dat veelal tot het einde toe met het orgel ‘voluit’ gespeeld wordt. Aangezien de laatste drie regels - ‘Verlaat niet wat Uw hand begon… wil bijstand zenden’ - een gebed is, dient dit toch bepaald ingetogen te worden gespeeld en gezongen.

Psalm 116 vers 2 en 3 - die overigens nooit los van elkaar gezongen mogen worden - hebben voor elke organist iets uitdagends. Vers 2 begint met een (schuld)belijdenis: “Ik lag gekneld in banden van de dood”. Dit belijden gaat over in het gebed van vers 3: “Maar riep de Heer dus aan in al mijn nood” (dubbele punt!) - “Och Heer, och wierd mijn ziel door U gered!”

En op dát moment mag de organist ‘het orgel opentrekken’: “Toen hoorde God…”

 

Ofschoon een organist de gemeente mag leren zingen, is het af te raden om de indruk te wekken, dat hij de tekst beheerst, door geaccentueerd op alle punten en komma’s in de gezongen tekst te gaan spelen. Het ‘naar adem happend orgelspel’ doorbreekt niet alleen de lijn van de melodie, maar dikwijls ook de gedachtengang van de tekst. Het meest bekende (voorspelbare?) voorbeeld is wel het slot van Psalm 72, vers 11: “Met Amen,… (grote komma, dus het orgel zwijgt luttele seconden - waarop iemand zich afvraagt óf er nog wel een ‘amen’ ná komt) … amen na”.

 

Ten dele

Aangezien wij in deze aardse bedeling slechts ten dele kennen, en ten dele profeteren, geldt dat ook voor de dienst die wij verrichten vanaf de orgelbank. Spelend en zingend hebben wij ons te voegen naar de lofzang die Boven op het allervolmaaktst wordt gezongen.

 

Wanneer het ons hartelijk verlangen is, om eenmaal in het Koninkrijk der Hemelen eeuwig te zingen van Gods goedertierenheid, dan ontslaat ons dat niet van de plicht en dure roeping, er op aarde ernst mee te maken, en zal het op aarde geleerd en voortdurend geoefend moeten worden, Zoals David het mocht belijden: “Ik zal spelen voor het aangezicht des Heeren.”

Een organist zal dan niet ‘domineren’ met zijn orgelspel, maar werkelijk leiding geven aan de gemeentezang. Dan worden zijn voorspelen inspirerend, en brengt hij de woorden van een Psalm tot klinken. Zo alleen houden wij de lofzang gaande, in de geest van Johann Sebastian Bach, die al zijn muziek ondertekende met de letters S.D.G.: Soli Deo Gloria - alleen God de eer.

 

 

Zicht op het hoofdorgel vanaf de kansel 

in de Nieuwe Kerk te Delft


 

3. Indien er twee samenstemmen op de aarde…  (Terug)

 

In dit slotartikel staan we stil bij het samenspel tussen predikant en organist - een samenspel van afstemmen, instemmen en samenstemmen, dat we niet onder stoelen of banken kunnen steken. Geldt ook van hen niet: “Indien er twee van u zullen samenstemmen op de aarde…?” (Mat. 18:19).

 

Het behoeft nauwelijks toelichting, dat een goede samenwerking - of om het in meer muzikale termen uit te drukken: een samenstemmen - tussen predikant en organist voor het samenkomen van de gemeente in de eredienst van het hoogste gewicht is. Beiden hebben - nog afgezien van de koster, die vooral zorg draagt voor de ‘ambiance’ van een open en (’s winters) warm kerkgebouw - een belangrijke stem in te brengen in het geheel van de eredienst.

De prediker doet dat met de adem van zijn mond, de organist met de adem van de orgelpijpen. En beiden worden (als het goed is) geleid door de Heilige Geest. Al mag gezegd worden, dat de prediking van het Woord ver uitgaat boven de klanken van het orgel. Waar het orgel middellijkerwijs vertolking en uitdrukking van het beleden en bevindelijk beleefde geloof is, daar werkt de prediking het geloof zelf.

 

Naast de vele gaven, deugden en kwaliteiten, waarvoor predikant en organist ieder in het bijzonder op zijn eigen vakgebied geschoold en bekwaam toegerust is, is het geen overbodige luxe, wanneer beiden - vooral ten aanzien van de eredienst - goed op elkaar afgestemd en ingespeeld zijn.

 

De Schrift als uitgangspunt

Je hoeft nog geen liefhebber van Johann Sebastian Bach te zijn, om toch in zijn geest - die gekenmerkt wordt door een steile en diepe afhankelijkheid van het Woord van God - de gemeentezang in relatie te brengen tot de prediking. Beiden - predikant én organist - dienen de psalmen (en geestelijke liederen), die in de eredienst een plaats krijgen te laten zijn als resonantie, als weerklank van het gepredikte woord, en als spiegel voor (niet zelden ook van) de ziel.

De predikant dient in de keuze van de te zingen psalmverzen nauwgezet rekening te houden met het karakter en de stijl van het lied. Omgekeerd evenredig dient ook het orgelspel te worden afgestemd op de inhoud en stijl van de prediking.

Bij een preek over bijvoorbeeld Psalm 51 (Davids belijdenis van zijn zonde, en zijn ootmoed voor God) past geen al te uitbundig spel. Terwijl bij een belijdenisdienst, of doopdienst, of een dienst op hoogtijdagen (Kerst, Pasen, Pinksteren) het orgel zeker ‘de blijde toon’ mag zetten.

 

Kastje, spiegeltje, lampje

In technisch opzicht is de plaats van het orgel in de kerkruimte uitermate belangrijk voor het contact (of de afstand) tussen predikant en organist.

Er zijn kerken - met name die gebouwd zijn in de tweede helft van de vorige (lees: 20e) eeuw - waaruit blijkt, dat kerkenraden meer gevoel hebben gekregen voor de liturgie, en met name ook voor de geëigende plaats van kansel en orgel in de kerkruimte. Een organist zal persoonlijk méér betrokken worden bij wat er om en nabij de kansel gebeurt, wanneer het orgel zich eveneens vóór in de kerk - nabij de kansel - bevindt.

 

Veel (hervormde) dorpskerken hebben doorgaans het orgel op de balustrade, met de speeltafel aan de zijkant. Hierbij heeft de organist niet alleen goed zicht op de gemeente, maar ook op de kansel (al heeft de predikant daarbij niet altijd hetzelfde zicht op het orgel).

Soms is de afstand niet groter dan 10 tot 15 meter, zodat oogcontact met de predikant heel goed mogelijk is. Dat is vooral prettig, wanneer het niet geheel duidelijk is, of een gastpredikant bijvoorbeeld wél of geen samenvatting van de wet geeft. Oogcontact is ook prettig bij de viering van het Heilig Avondmaal, zodat de organist weet wanneer ‘de tafel gereed is’ en hij zijn naspel (of anderszins) kan beëindigen.

 

Het laat zich raden, dat in de grotere kerken - met hun volumineuze orgels hoog boven de kansel of ver weg aan het andere einde van de kerk - het contact tussen kansel en orgel slechts bestaat uit dat enkele stroomdraadje naar de geluidskast, en dat kleine stukje glas van een spiegel. Organist en predikant zijn in vele kerken niet in staat elkaar te zien. Oogcontact is - vanwege de grote afstand, de plaats of de bouw van het orgel - nauwelijks mogelijk. Het zicht van de organist op gemeente en kansel kan ook nog beperkt worden door een rugwerk, of vanwege een zodanige plaatsing van de speeltafel, dat het orgel tussen speelman en gemeente in staat. Een spiegel kan nog enig soelaas bieden.

 

Als predikant zie je op diverse kansels naast de lichtknop ook nog een andere knop aangebracht. In drukletters of geschilderd staat er: orgel. Dit is het andere draadje, dat de predikant met de organist verbindt, ofschoon zelden nog in praktijk. Aangezien het meestal de koster is, die - als een welhaast volleerd regisseur - licht en geluid bedient van de gehele kerk (inclusief kansel en orgel) heb ik me vaak afgevraagd, wanneer de predikant nog eens op dat - veelal reminiscente - knopje mag drukken. Of het moest zijn, om een organist erop te attenderen, dat hij zich ál te zeer in zijn orgelspel heeft verdiept…

 

Onzichtbare organisten

Ten aanzien van het ‘zijn onder de prediking’ betreur ik díe organisten, die hoog en ver bij de kansel vandaan verblijven en het moeten hebben van het ‘geluidskastje aan de muur’. Het zal - dat is tenminste mijn ervaring - voor hen extra concentratie vragen om hun aandacht bij de prediking te houden, zonder zicht op de voorganger. Ze nemen een bepaald eenzame positie in binnen de eredienst - al zijn ze bevoorrecht boven de luisteraars van de kerktelefoon.

 

Voor zulke ‘onzichtbare’ organisten zou er - naar mijn inzicht - de mogelijkheid moeten zijn, om gedurende de preek de orgelbank te verlaten en zodanig in de kerk plaats te nemen, dat ook zij zicht op de prediker kunnen hebben. Bij grotere kerken zal dat zeker een kleine ‘omwandeling’ vergen. Het zien van een spreker maakt het luisteren naar en de betrokkenheid op de prediking eenvoudiger en intenser.

 

Ik herinner mij de kerkgang in de vakantietijd, als ons gezin ‘s zondags ter kerke ging in de Chr. Gereformeerde Gasthuiskerk te Middelburg, met zijn regel hoog tegen de muur boven de kansel geplaatst. Aan het begin van de preek kwam de organist langs de trap omlag, waarbij hij halverwege de muur, rechts van de kansel, in een ‘zwaluwnestje’ plaatsnam. Wanneer hij op een gegeven ogenblik oprees en weer achter het orgel plaatsnam, kon je ervan verzekerd zijn, dat de predikant binnen een paar minuten aan zijn ‘amen’ toekwam. Ik heb nog bewondering voor het invoelingsvermogen van die man.

 

Worp

Er zijn vele koraalboeken bekend, zoals van Van Eijken, Litzau, Drenth, Van ‘t Kruys, Doortmond, Worp en anderen. Met name Worp is zeer bekend. Velen zijn al blij, als zij met de harmonisatie van Worp uit de voeten kunnen. Ook mijn moeder heeft mij nog voorgespeeld uit Worp.

Als gastspreker hoor je al snel, of een organist vrij is in de keuze van literatuur - al dan niet afgewisseld met eigen improvisaties - óf dat hij al te zeer gebonden is aan de zettingen van Worp.

In het laatste geval tref je het, wanneer er nog enige afwisseling wordt gemaakt, door bijvoorbeeld variatie van registers of wisseling van klavieren. Wanneer dat niet het geval is - en er mochten eens drie of vier verzen uit dezelfde Psalm worden gezongen, of dezelfde Psalmmelodie klinkt meerdere keren in de dienst (bijvoorbeeld vóór en ná de Wet des Heeren) - dan kun je steevast hetzelfde voor-, tussen- en naspel, alsook eenzelfde zetting verwachten.

De zettingen van Worp zijn - naar mijn mening - vanwege hun eenvoud goed te gebruiken door hen, die zich pas beginnen te bekwamen in het orgelspel in het algemeen, alsook in de harmonisatie en begeleiding van de gemeentezang in het bijzonder. Al dunkt mij, dat de koraalzettingen van Goudimel - onovertroffen in zijn verfijnde eenvoudigheid en muzikaliteit - verre te prefereren zijn boven de vaak al te simpele, en weinig levendige zettingen van Worp.

De vraag of de koraalzettingen van Worp werkelijk bijdragen aan een verlevendiging van de gemeentezang in het bijzonder, of van de eredienst in het algemeen, durf ik niet snel bevestigend te beantwoorden. Deze zettingen bieden - naar mijn overtuiging - nauwelijks enige ruimte, om op de prediking van het Woord - laat staan op de beleving en bevinding van de gemeente onder datzelfde Woord - in te spelen.

 

Johan of Johann?

Het orgelspel heeft niet alleen tijdens, maar ook vóór en ná het zingen een niet te onderschatten invloed op de gemeente. Nu is elke gemeente heel divers in het waarderen van wat er gespeeld wordt. Er wordt al gauw onderscheid gemaakt: of je bent voor Johan (de Heer) of je bent voor Johann (Sebastian Bach). Laat dit niet al te gemakkelijk over aan het oordeel en de smaak van de gemeente. “Zoveel hoofden, zoveel zinnen.”

 

Niet iedereen beheerst de orgelliteratuur, terwijl we ook de gemeente niet moeten onderschatten in wat zij wel of niet weet te waarderen. Een eenvoudig, herkenbaar lied (dat hoeft niet altijd een Psalm te zijn!) - kan een meerdere zegen geven op de bediening van het Woord. Je merkt dat, wanneer het volk onder het orgel door de kerk verlaat, en je verneemt een eenstemmig, instemmend geneurie.

Anderzijds misstaat het niet om na de dienst van Goede Vrijdag het slotkoraal uit de Matthäuspassion - Wir setzen ons mit Trännen nieder - te spelen. Dit kan even stijlvol zijn als een koraal over een bekend lied uit de Lijdenstijd (Bach, Böhm, Buxtehude, Reger, en anderen). Wanneer een organist echter de stof niet beheerst, is het aan te raden om zeker geen literatuur te spelen. Wie Bach wil spelen, moet ook Bach kunnen spelen.

 

Anders ligt het met de vraag, of je een Passacaglia, Trio, Toccata, Fuga of anderszins kunt spelen - hetzij als inleiding op de dienst (voordat de kerkenraad binnenkomt), of bij het uitgaan van de kerk. Als organist hebben wij ervoor te waken, dat een eredienst niet stilletjes verwordt tot een quasi concert. Het dient tot weinig stichting, wanneer een organist blijk geeft, hoe virtuoos hij is en zijn kwaliteiten als speelman ten toon wil spreiden. Als er de gaven zijn, dan mag daar zeker mee gewoekerd worden. Mits de Heere - de Gever van alle gaven - gediend wordt en ermee tot Zijn eer komt. Wij profeteren ten dele. Ook musiceren wij nog maar ten dele. Ieder zij daarom in zijn gemoed hiervan dan ook ten volle verzekerd.

 

Afstemmen

Wanneer een organist weet, waar de prediking over gaat, kan hij zich daar ook terdege op voorbereiden. En dan behoeft het niet altijd een lied uit ‘Opwekking’ of Johan de Heer te zijn. Er zijn vele geestelijke liederen die bij een bepaald gedeelte van het kerkelijk jaar passen. Er zijn vele Vaderlandse liederen die stichten, zoals weergegeven in Valerius’ Gedenckklanken.

In de lijdenstijd kunnen de koralen uit de Matthäuspassion heel goed worden gebruikt worden. Rondom 4 en 5 mei misstaat het niet om liederen waarin de bevrijding centraal staat te spelen. Sommigen voortreffelijk en niet te moeilijk bewerkt door Jan Zwart, Klaas Bolt, Herman van Vliet, Johann Lemckert en vele andere bekende en minder bekende Hollandse componisten.

 

Een lied of koraal kan na de dienst de prediking nog extra onderstrepen, of onze geestelijke bevindingen op een hoger plan weten te brengen. Ook de organist mag in deze zin beseffen een naprediker te zijn.

Dit leidt in sommige gemeenten (helaas) tot de vraag, of er door de organist ook andere gezangen en geestelijke liederen mogen worden gespeeld - buiten de Psalmen Davids. Ik meen, dat het instrument ook gebruikt mag worden uit het oogpunt van muzikale kunst - als uiting van cultuur, ad majorem gloriam Dei.

 

Herstel…

Het is aan te raden, dat zowel organist als predikant er alles aan doen, om wederzijds een goed contact te hebben, die verder reikt dan het spiegeltje op de orgelgalerij, en het psalmbriefje van de zaterdag. Ze hebben elkaar aan te voelen en van binnen uit te kennen, zodat ze geen vreemdelingen voor elkaar zijn. Dit samenstemmen komt de eredienst alleen maar ten goede.

 

Het is een gemak, wanneer een predikant gezegend is met een zeker muzikaal invoelingsvermogen. Wanneer onverhoopt iets ‘op het orgel’ misgaat, kan hij daar ad rem op ingaan.

Ik weet uit ervaring, hoe gevoelig het is, als een predikant een organist - die er even niet bij is - moet ‘corrigeren’. De organist sluit het zingen van een vers met een zwierig naspel af. Het orgel zwijgt. Terwijl de gemeente klaar zit om ook het tweede opgegeven vers te gaan zingen. Nu zijn er predikanten, die het ‘maar zo laten’.

Wanneer de relatie tussen kansel en orgel goed is, mag het lijden, dat de predikant zich in een dergelijke situatie rechtstreeks tot de organist wendt en zegt: “Organist, zullen we vers 3 ook nog maar zingen?!”

 

Het verdient overigens aanbeveling - niet alleen met het oog op de rust en orde van de dienst, maar ook ten aanzien van een zekere gespannenheid bij haast elke organist - om tijdens de dienst zo min mogelijk de opgegeven liturgie te wijzigen door plotselinge ingevingen.

Sommige speellieden kunnen uitermate gevoelig zijn op ‘korrekties’ tijdens de dienst, doordat een predikant ‘om des tijds wille’ een opgegeven psalm (die al op de lessenaar gereedstaat) overslaat, waardoor een organist haastig moet gaan bladeren en het orgel opnieuw registreren.

Soms wordt - door een bepaalde ingeving - een andere psalm opgegeven dan het psalmbriefje vermeldt. Ook wanneer er een tussenzang wordt gezongen tijdens de preek, verdient het aanbeveling dit vooraf aan de organist door te geven.

 

Het zal niet altijd voorkomen. Maar als er eens iets gebeurt, is het goed dat je als predikant en organist weet wat je aan elkaar hebt. Het is maar net wat je van elkaar verdraagt en wat je hebt afgesproken. Houd vrede met alle mensen, maar in het bijzonder met organist en koster. De eredienst wordt grotendeels met hen bepaald.

 

Psalmbriefje

Vele organisten bereiden zich ‘s zaterdags voor op de dienst van zondag, terwille van het ‘voorbedachte lied op de harp’. Het is predikanten dan ook aan te raden, om de liturgie (schriftlezing, tekst en psalmen) op zijn laatst zaterdagmorgen gereed te hebben. De organist (of koster) belt de (gast)predikant en vraagt naar de psalmen voor de dienst van de komende zondag. Een enkele keer wordt er ook gevraagd naar de Schriftlezing en de tekst.

Voorzover de tekst niet óók bestemd is voor het psalmbord, schuilt hierachter de gedachte, dat een organist zich ook inhoudelijk - inclusief de voor- en naspelen - op de dienst wil voorbereiden. Eén keer werd ik verrast, toen een organist mij vroeg: “Wat wilt u morgen ná de dienst graag gespeeld hebben, als amen op ‘uw’ preek?”

 

En ja, psalmbriefjes, ze zijn er in allerlei soorten, maten, kleuren en handschriften. Dominee, wees zuinig op uw organist! Een psalmbriefje is geen doktersrecept. Schrijf leesbaar en duidelijk. En wees er bedacht op, wat voor soort papier u gebruikt. Wat een verschil tussen dat ene ‘vodje’ met zijn nauwelijks te lezen kriegelige krabbeltjes… of dat deftige, voorgedrukte ecru perkament, met zijn sierlijk gekrulde handschrift.

In mijn eerste jaren als organist heb ik een aantal ‘jaargangen’ bewaard.

Het meest opzienbarende was wel dat ene psalmbriefje van een gastpredikant. Het werd mij op een 28e december voor aanvang van de dienst door de koster aangereikt en had de afmeting van zo’n 5 bij 15 cm.

Het bleek een ex-kassabon van een grote supermarkt, gedateerd 23 december. Aan de hand van de op de achterzijde vermelde ingrediënten, kon ik afleiden, welk een abundante kerstmaaltijd er dat jaar bij deze dominee op tafel stond.

 

A propos, dominee, over psalmbriefjes gesproken. Elk psalmbriefje - “hoe klein het zij of groot” - heeft nog wel wat bladwit onderaan voor een enkel toegevoegd woord.

Wat dacht u van: “Zegen op het orgelspel”, of: “Sterkte bij ons samenspel”. Of eenvoudigweg: “Goede dienst toegewenst”.

Wanneer u - als prediker - zelf zegen mag ontvangen onder de bediening van het Woord, maak dan ook uw organist van die weldaad deelgenoot.

 

Vinkeveen

Augustus 2001

 

Delft, Oude Kerk (Hoofdorgel)

 

 

 

Aanbevolen literatuur

 

·       C.P. van Andel, Tussen de regels, De samenhang van kerkgeschiedenis en kerklied, 's-Gravenhage, 1982, 2°

·       A. Bouman, Nederland..... Orgelland, Leiden 1964

·       T. Brienen, De liturgie bij Johannes Calvijn, Zijn publicaties en zijn visies, Kampen 1987

·       A. Brunner, Musik im Gottesdienst, Wesen, Funktion und Ort der Musik im Gottesdienst, Zürich/Stuttgart, 1968, 2°

·       A. Edler, Die Stellung der komponierten Orgelmusik zwischen liturgischer funktionalität uns ästhetischer Autonomie, in: Die Orgel im dienst der Kirche, uitgegeven door Hans Heinrich Eggebrecht, 1985

·       Th. Flury, Der theologische und liturgische Standort der Orgelmusik in der lateinischen Kirche, in: Die Orgel im dienst der Kirche, uitgegeven door Hans Heinrich Eggebrecht, 1985

·       F. Houtkoop, Het orgelkoraal in de Eredienst, in: Kerk en muziek, maandblad, gewijd aan de protestantse kerkmuziek tevens orgaan van de vereniging voor protestantse kerkmuziek

·       Constantijn Huygens, Gebruyck of ongebruyck van 't orgel in de kercken der Vereenighde Nederlanden, Amsterdam/Londen 1974, afgedrukt in F.L. Zwaan, Verhandelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afd. letterkunde, Nieuwe Reeks, deel 84 (exemplaar in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, signatuur 2607 F32)

·       O.J. de Jong, Geschiedenis der Kerk, Nijkerk 1980, 10°

·       Idem, Nederlandse Kerkgeschiedenis, Nijkerk 1985, 3°

·       A.J. Kret en Feike Asma, Jan Zwart 1877 - 1937, een profeet op de orgelbank, Kralingsche Veer 1957

·       G. van der Leeuw, Koor, orgel en organist in den eeredienst, in: "Wat doen wij in de kerk", 's-Gravenhage

·       J.R. Luth, Daer wert on ‘t seerste uytgekreten - dissertatie (met aanhangsel)

·       D. Nauta c.s., Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme, deel 2, Kampen 1983

·       M.A. Prick van Wely, Het orgel en zijn meesters, tweede geheel herziene druk, met medewerking van Flor Peeters, Den Haag, 1965

·       K. Sachs, Über die gottesdienstliche Zuordnung der Orgelmusik im Zeitalter des Barock, in: Die Orgel im dienst der Kirche, uitgegeven door Hans Heinrich Eggebrecht, 1985

·       G.D.J. Schotel, De openbare eeredienst der Nederl. Hervormde Kerk in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw, Tweede, vermeerderde en geïllustreerde Uitgave door Dr. H.C. Rogge, Oud-Hoogleeraar aan de Universiteit te Amsterdam, Leiden 2°

·       G. Slagmolen, Muzieklexicon, samengesteld met medewerking van Henk Stam, Chris Bos en Dr. M.A. Vente, Utrecht 1957.

·       O. Söhngen, Theologie der Musik, Bärenreiter-Druck Kassel 1967

·       L.F. Tagliavini, Orgelmusik und liturgische Praxis, in: Die Orgel im dienst der Kirche, uitgegeven door Hans Heinrich Eggebrecht, 1985

·       M.A. Vente, Orgels en organisten van de Dom te Utrecht van de 14e eeuw tot heden, Utrecht 1975

·       G. van der Zee, Vaderlandsche Kerkgeschiedenis, deel 1: Voor de Hervorming (tot 1528), Kampen 1936

·       G. van der Zee, Vaderlandsche Kerkgeschiedenis, deel 2: De Hervorming, Kampen 1937

·       G.E. Zevenbergen, Kleine geschiedenis van het kerklied, herziene en uitgebreide druk in samenwerking met drs. J.R. Luth, 1982

·       J. Zwart, Jan Pieterszoon Sweelinck en "zijn goede vrienden" de Gereformeerden, in: Orgel- en muziekleven, uitgeverij en antiquariaat "Jan Zwart" Koog a/d Zaan (1e jaargang 1959, No. 7, 8 en 9)


[1] De in cursief en Oudnederlands weergegeven citaten zijn grotendeels ontleend aan het traktaat van Constantijn Huygens. Zie ook de lijst van aanbevolen literatuur aan het slot van deze serie.

[2] Dat is: “Ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israëls”.

[3] Karakteristiek voor de phrygische modus is een lage 2e toon van de toonladder. In de toonsoort Fis is dat een g in plaats van een gis.